Armoede is – ondanks dat onze samenleving gerust welvarend genoemd mag worden – een realiteit. Wat dat betreft is de situatie van nu niet anders als vroeger. Armoede komt ook in het verleden veelvuldig voor. In mijn eigen onderzoek ben ik stukken tegengekomen van de vrije heerlijkheid Oijen, het dorp waar mijn familie vandaan komt. Daaruit blijkt bijvoorbeeld dat in het jaar 1750 op een totale bevolking van circa 350 personen maar liefst zo’n 140 mensen geheel of gedeeltelijk worden onderhouden door de bedeling van kerk en dorpsbestuur; oftewel is circa 40% van bevolking aangewezen op hulp!

Werk van barmhartigheid
Als we terugkijken in de tijd, zien we per plaats sterk van elkaar afwijkende regelingen ter ondersteuning van behoeftige mensen. Begrippen als (kerkelijke) armentafels en (burgerlijke) armbesturen komen we in verschillende varianten overal wel tegen. De mate waarin hulp geboden werd laat zich echter niet of nauwelijks vergelijken. Er zijn (zeer) grote verschillen. Dat er in iedere stad, dorp of heerlijkheid wel iets van een diaconale organisatie te vinden is, hangt samen met de waarde die sinds de middeleeuwen wordt gehecht aan de werken van barmhartigheid, zoals die in het evangelie volgens Matteüs uit de mond van Jezus zijn opgetekend.

Herkomst bepalend
Er zijn dus geen algemene voorschriften die voor het gehele land gelden, zo je – gezien de federatieve structuur van de Nederlanden – echt over één land kunt spreken, maar dat terzijde.
Als algemene regel geldt bijvoorbeeld wel dat bij een verhuizing beschikt moet worden over een borg- of ontlastbrief. Daarin staat aangegeven, dat ‘mocht je tot armoede vervallen, wat God verhoede’, de aan jou te verlenen steun ten laste komt van de daarvoor aanwezige (financiële) middelen uit de plaats van herkomst (lees: geboorte). Daarin kan eigenlijk alleen maar verandering komen als bij verhuizing naar een andere stad of dorp de gelegenheid wordt geboden van ‘inkopen’. Maar dat gaat naar verhouding vaak om grote sommen geld en is dus absoluut niet voor iedereen weggelegd. Je hebt geluk, bijvoorbeeld vanwege een huwelijk, als de schoonfamilie bereid is om borg voor je te staan.

Eigen schuld ?!
Hoewel de werken van barmhartigheid aan de ene kant zorgden voor een beperkt vangnet, geldt ook eeuwenlang zeer sterk de opvatting dat armen de situatie waarin ze verkeren aan zichzelf te danken hebben. Dit maakt dan ook dat er niet of nauwelijks initiatieven zijn om de armenzorg op een hoger plan te tillen.

(Franse) Armenwet 1800
Een poging daartoe wordt overigens wel ondernomen in de tijd van de Franse overheersing, al kunnen er vraagtekens gezet worden bij de gehanteerde motieven. In 1800 komt er een landelijke Armenwet. Deze verklaart  de armenzorg tot een publieke dienst met recht op onderstand. Een algemene armenkas zou degenen helpen die de kerkelijk en particuliere instellingen niet bedelen. De lokale armbesturen wordt gevraagd het aanwezige kapitaal aan de staat over te dragen. De armbesturen geven hieraan echter geen gehoor. Bij gebrek aan geld wordt de bepaling betreffende de armenkas in 1802 al weer buiten werking gesteld.

De lappendeken aan lokale regelingen blijft daardoor in stand. Dit geldt ook nadat het Koninkrijk der Nederlanden aan het begin van de 19e eeuw ingesteld wordt.
Koning Willem I probeert wel enige vat op het armbestuur te krijgen door in 1820 alle armbesturen te verplichten de regering van informatie te voorzien voor het opstellen van het ‘Jaarverslag van het Armwezen’.

Armenwet 1854
De politiek is in de eerste helft van de 19e eeuw sterk conservatief van aard. Pas nadat in Europa halverwege de eeuw overal revolutionaire geluiden te horen zijn, lijkt er sprake van enige beweging. Toch is het verzet van zowel lokale kerkelijke als particuliere armbestuurders groot tegen een voorstel van wet van de liberaal Thorbecke om (toch) te komen met meer staatstoezicht op de armenzorg. Het voorstel wordt dan ook door het parlement verworpen.
In plaats daarvan komt de Armenwet van 1854. Die laat echter alles bij het oude, want in de wet wordt vastgelegd dat de kerkelijke en de particuliere armbesturen het eerste recht van bedeling hebben. Een burgerlijk armbestuur mag alleen bedelen als de andere instellingen dit niet willen en dan nog slechts in geval van volstrekte onvermijdelijkheid.
De wet is dan ook geen directe oplossing tegen de armoede. De zorg voor de armen blijft – net als voorheen – liggen bij ‘kerkelijke en bijzondere instellen van weldadigheid’. Het parlement is huiverig voor een armenzorg door de overheid. Alleen hulpbehoevenden die tot geen enkele kerk behoren mogen door de gemeente worden geholpen. Of bij uitzonderlijke omstandigheden zoals dramatische misoogsten. Ook blijft de regel bestaan dat een burger voor hulp altijd bij de gemeente moet aankloppen waar hij is geboren.

Armenwet 1912
Eind 19e eeuw publiceert de Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen een rapport met felle kritiek op de financiële en organisatorische ontoereikendheid en stelselloosheid van de armenzorg. Ook het gebrek aan samenwerking tussen de verschillende instellingen wordt aan de kaak gesteld. Dit leidt tot een concept-Armenwet in 1901 die echter door fel verzet van vooral kerkelijke zijde wordt verworpen.
In 1912 wordt de Armenwet van 1854 gewijzigd. Nog steeds ligt het primaat van de armenzorg bij de kerken en particuliere instellingen. Wel mogen de burgerlijke instellingen ‘dubbel’ bedelen, dat wil zeggen dat zij de bedelingen van de bijzondere charitas kunnen aanvullen.

Gunst, geen recht
De wet beschouwt financiële ondersteuning van burgers in nood door de overheid  dan  ook  niet  als  een afdwingbaar recht, maar als een gunst. Heeft iemand geen middelen van bestaan, dan moet eerst de familie aangesproken worden. Geeft die niet thuis, dan dient men aan te kloppen bij particuliere – meestal kerkelijke – charitatieve instellingen. En pas als ook die vernederende gang niets heeft opgeleverd, dan pas springt de overheid bij.

Wederopbouw biedt nieuw perspectief
De crisis van de jaren ’30 laten zien, dat ingrijpende maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat de maatschappij ontwricht raakt. Pas na de tweede wereldoorlog, in de tijd van de wederopbouw, lijken de geesten rijp om tot een nieuw stelsel te komen.
Een belangrijke rol daarbij is weggelegd voor de eerste vrouwelijke minister van Nederland. Marga Klompé zwaait van 1956 tot 1971 de scepter over het nieuwe ministerie van Maatschappelijk Werk. Zij brengt belangrijke wetten tot stand als de Wet op de bejaardenoorden (1963), die een einde maakte aan vaak mensonterende toestanden in particuliere tehuizen. In relatie tot de Armenzorg komt verantwoordelijkheid van minister Klompé de Algemene Bijstandswet (ABW) tot stand.

Recht, geen gunst!
De ABW haalt de bijstand uit de sfeer van de caritas en vormt een keerpunt in de sociale geschiedenis van Nederland.
In de achterliggende eeuwen van armenzorg heeft de ondersteuning altijd het karakter van een vernedering gehad. De ABW verandert dat radicaal. ‘Van genade naar recht‘, zo typeert minister Klompé het in die tijd zelf.
De wet beschermt niet alleen tegen armoede, maar maakt het mogelijk dat bijvoorbeeld vrouwen kunnen scheiden, omdat ze financieel onafhankelijk kunnen worden van hun man. Dat wet heeft dan ook een groot emancipatoir effect gehad.

Heropleving bijzondere charitas?
Na het invoeren van de Bijstandswet in 1965 lijkt de rol van de bijzondere charitas in Nederland uitgespeeld. De crisis in de jaren ’80 van de vorige eeuw en meer recent de kredietcrisis laten zien, dat het vangnet van de overheid niet altijd voldoende is of afdoende werkt. De in de politiek noodzakelijke geachte bezuinigingen op de verzorgingsstaat en andere hervormingen leiden tot ‘nieuwe armoede’. Mensen die plotseling hun baan verliezen, onvoldoende reserves hebben of simpelweg geen sociaal vangnet hebben om op terug te vallen. In het bewustwordingsproces van de ‘nieuwe armoede’ spelen de kerken een belangrijke rol. In de marge van de verzorgingsstaat blijkt de (kerkelijke) charitas een rol te kunnen spelen voor mensen die in bijzonder moeilijke omstandigheden verstoken blijven van een uitkering of hulp anderszins van de overheid.

Gebruikte bronnen: